De spermadonor: recht op omgang met zijn biologische kind?

Rotterdam, 01-12-2014

Volgens de wet heeft een kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De rechter kan op verzoek van (een van) de ouders of van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind een omgangsregeling vaststellen of het recht op omgang juist ontzeggen. De rechter ontzegt iemand het recht op omgang alleen in het geval de omgang niet goed zou zijn voor het kind, diegene niet geschikt of niet in staat is omgang te hebben met het kind of het kind, dat twaalf jaar of ouder is, ernstige bezwaren heeft tegen omgang met diegene. Hoe zit het met een spermadonor, heeft hij recht op omgang met zijn biologische kind?

Een spermadonor heeft recht op omgang als er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking met het kind. Uit uitspraken van rechters blijkt, dat het enkele bestaan van biologische verwantschap onvoldoende is om aan te nemen dat er een nauwe persoonlijke betrekking is tussen het kind en hem. De spermadonor dient bij de rechtbank bijkomende omstandigheden te stellen, waaruit kan worden afgeleid dat deze betrekking tussen hen bestaat.

Hierbij kan bijvoorbeeld belangrijk zijn, dat de spermadonor en de ouders vanaf het begin het er over eens waren, dat de spermadonor een rol zou moeten spelen in het leven van het kind en dat hierover voor de geboorte van het kind regelmatig contact heeft plaatsgevonden. Als de nauwe persoonlijke betrekking niet kan worden vastgesteld door te kijken naar de periode voor de geboorte van het kind, kan deze alsnog worden vastgesteld als nadien regelmatig contact tussen het kind en de spermadonor heeft plaatsgevonden. Het gerechtshof Amsterdam heeft in juni 2014 beslist, dat op basis van deze omstandigheden de nauwe persoonlijke betrekking tussen kind en spermadonor kan worden vastgesteld om vervolgens te bezien of een en welke omgangsregeling in het belang van het kind is.

In diezelfde uitspraak van het gerechtshof Amsterdam is beslist, dat als geen nauwe persoonlijke betrekking kan worden vastgesteld tussen kind en spermadonor, deze spermadonor alsnog een verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling bij de rechtbank kan indienen. De spermadonor heeft namelijk het recht op bescherming van het privéleven (artikel 8 EVRM). Omdat het contact met het kind een belangrijk deel van de identiteit van de spermadonor betreft en daarmee zijn privéleven, kan dit recht volgens het gerechtshof onder omstandigheden worden ingeroepen voor het hebben van contact.

Wilt u meer weten over dit onderwerp, dan kunt u uiteraard contact met ons opnemen.

-

Renée Boonstra in Personen- en familierecht.